7apr, 21
VANDIJK advocaten - General Data Protection Regulation 1

In deze uitspraak van rechtbank Amsterdam van 31 maart 2020 gaat het om het voortzetten van een huurovereenkomst na het overlijden van een partner. De kantonrechter heeft beslist dat de man de huurovereenkomst van zijn overleden levenspartner mag voortzetten, ondanks het feit dat de mannen ten tijde van overlijden van de huurder niet meer samenwoonden.

Feiten en omstandigheden

De woning in kwestie wordt door verhuurder sinds de jaren ’80 verhuurd aan (wijlen) huurder 1. Er is geen schriftelijke huurovereenkomst. Huurder 2 was bij leven van huurder 1 zijn levenspartner en staat sinds 2013 ingeschreven op het adres van de woning. In 2016 heeft huurder 2 de verhuurder per brief verzocht hem als medeverhuurder in het huurcontract op te nemen. Verhuurder heeft aangegeven dat huurder 2 niet als medehuurder wordt erkend. In 2019 is huurder 1 overleden. Als gevolg van ziekte is huurder 1 meermaals opgenomen in een verpleeghuis. Huurder 1 heeft toen, om verzekeringsdoeleinden, ingeschreven gestaan op het adres van het verpleegtehuis en niet op het adres van de woning. Sinds het overlijden van huurder 1 wordt de huur voor de woning door huurder 2 voldaan. Bij brief heeft huurder 2 aan de verhuurder bericht dat hij de huurovereenkomst met betrekking tot de woning als achterblijvende medehuurder voortzet. Verhuurder heeft wederom aangegeven dat zij huurder 2 niet als medehuurder erkend. Vervolgens is huurder 2 bericht dat de huurovereenkomst van rechtswege eindigt per 1 juni 2019 en verzocht om de woning per ommegaande te ontruimen.

Geschil

Huurder 2 vordert dat de kantonrechter bepaalt dat de gesloten huurovereenkomst met betrekking tot de woning onder dezelfde voorwaarden door huurder 2 zal worden voortgezet. Huurder 2 stelt in dit
verband dat huurder 1 langdurig zijn levenspartner is geweest. In 2011 is huurder 2 daarom bij huurder 1 ingetrokken en sindsdien heeft hij zijn hoofdverblijf in de woning. Sinds 2013 staat hij ingeschreven op het adres van de woning. Huurder 2 voerde samen met huurder 1 een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Zij deelden de kosten voor de huishouding (zoals boodschappen, huur, voorzieningen zoals televisie/internet en overige algemene kosten). Huurder 2 maakte daarvoor gedurende het leven van huurder 1 een bedrag van € 600,00 per maand over aan huurder 1. Huurder doet in dit verband verder een beroep op de schriftelijke verklaringen van zijn buren, die het jarenlange samenwonen en de langdurige affectieve en exclusieve relatie van huurders bevestigen. Huurder 2 is in staat de huur te voldoen en sinds het overlijden van huurder 1 heeft hij daarvan ook steeds blijk gegeven door de huur tijdig aan verhuurder te betalen. Verhuurder voert aan dat het verzoek om medehuurderschap van huurder 2 van mei 2016 is afgewezen en huurder 2 heeft nagelaten om toen aan de rechter te verzoeken om te bepalen dat hij als medehuurder moet worden aangemerkt. Daarmee staat vast dat huurder 2 geen medehuurder van de woning is en huurder 2 om die reden slechts in aanmerking kan komen voor voortzetting van de huur als vast staat dat hij een duurzaam gemeenschappelijke huishouding heeft gehad met huurder 1 op het moment van zijn overlijden. Als er al sprake is geweest van een gemeenschappelijke huishouding in het verleden, dan was deze in ieder geval ten tijde van het overlijden van huurder 1 niet meer duurzaam, nu huurder 1 structureel verbleef in een verpleeghuis. Derhalve kan de vordering van huurder 2 niet worden toegewezen, aldus de verhuurder.

Oordeel rechter

De persoon die in de woonruimte van de overleden huurder zijn hoofdverblijf heeft en met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gehad, kan binnen zes maanden na het overlijden van de huurder ten laste van de verhuurder vorderen dat hij de huur voortzet. Op grond van de wet wijst de rechter de vordering in ieder geval af als:
– De eiser niet aannemen heeft gemaakt dat hij aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet, en;
– De eiser vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur.
De vraag waar het in dezen voornamelijk om gaat is of sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Vaststaat dat huurder 1 en huurder 2 vanaf maart 2013 samen in de woning hebben gewoond. Weliswaar heeft huurder 1 in 2014 voor een periode van 3 maanden ingeschreven gestaan op het adres van het verpleegtehuis, maar dit gebeurde om te zorgen dat zijn medische zorg door zijn ziektekostenverzekeraar zou worden vergoed. Dit was van tijdelijke aard en daarna heeft huurder 1 zich weer ingeschreven op het adres van de woning. Huurder 2 heeft – onbetwist – gesteld dat huurder 1 zijn partner was met wie hij een affectieve relatie had. Dit gegeven vormt op zich zelf al een zwaarwegende aanwijzing dat huurder 1 en huurder 2 een gemeenschappelijke huishouding voerden en laat weinig ruimte voor twijfel daarover. Op grond van het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, is dan ook voldoende aannemelijk dat tussen huurder 1 en huurder 2 sprake is geweest van een duurzame gemeenschappelijke huishouding.

Conclusie

De enkele omstandigheid dat ten tijde van het overlijden van de huurder al kortere of langere tijd geen gemeenschappelijke huishouding meer werd gevoerd omdat de huurder 1 wegens ziekte of hulpbehoevendheid moest worden opgenomen in en ziekenhuis of zorgcentrum, brengt echter nog niet met zich mee dat de vordering van huurder 2 moet worden afgewezen. Gelet op het feit dat huurder 2 heeft verklaard dat hij de huur kan voldoen en hij de huur al bijna een jaar lang steeds tijdig aan verhuurder heeft voldaan, is de kantonrechter van oordeel dat er geen reden is om daaraan te twijfelen. De slotsom van het voorgaande is dat de vorderingen van huurder 2 zullen worden toegewezen.

Maart 2021

VANDIJK advocaten - Justian Bohr 1

Justian Bohr

j.bohr@vandijkadvocaten.nl

Meer informatie? Neem contact met ons op!