14okt, 20
VANDIJK advocaten - Medehuurderschap en het (financieel) belang van de verhuurder

Uitspraak Rechtbank Den Haag ECLI:NL:RBDHG:2020:9928

De feiten

Werknemer was van 1 februari 2016 tot 6 mei 2020 als Supervisor in dienst bij een recyclingbedrijf met een contract voor onbepaalde tijd. Werknemer is op staande voet ontslagen omdat, zoals vermeld in de ontslagbrief, hij het vertrouwen onwaardig was geworden. Hij zou nevenactiviteiten hebben onderhouden met concurrenten van werkgever, een ongunstig contract hebben gesloten met een opslagbedrijf en gegevens hierover zou hij hebben gewist van zijn laptop voordat werkgever deze na een woordenwisseling heeft afgenomen.
Werknemer betwist de rechtsgeldigheid van het hem gegeven ontslag en verzoekt een verklaring voor recht naast betaling van achterstallig salaris, de transitievergoeding en een billijke vergoeding. Werkgever verzoekt om de verzoeken van werknemer af te wijzen.

Het oordeel

Een voorwaarde voor het ontslaan van een werknemer op grond van verwijtbaar handelen (de E-grond) is dat de werkgever dit zo concreet mogelijk moet maken, door bijvoorbeeld het overleggen van waarschuwingsbrieven, gespreksverslagen, beeldmateriaal of e-mails. De rechtbank heeft geoordeeld dat niet vast is komen te staan dat werknemer zich heeft ingelaten met ongeoorloofde nevenwerkzaamheden zoals gesteld door werkgever. Dit geldt ook voor de stelling dat werknemer gegevens van zijn laptop geprobeerd heeft te verwijderen. Voorts oordeelde de rechter dat werkgever niet heeft aangetoond in hoeverre het door werknemer aangegane contract nadelig voor hem is geweest. Dit betekent dat geen van de aan het ontslag ten grondslag gelegde gronden, ook indien deze in onderlinge samenhang worden bezien, het ontslag rechtvaardigen en dat alle verzoeken van werknemer derhalve zijn toegewezen.
Met betrekking tot de hoogte van de billijke vergoeding overweegt de rechter dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen ook na mei 2020 voor onbepaalde tijd had voortgeduurd als werknemer niet was ontslagen en dus aanspraak had gehouden op zijn salaris ad € 5.500 bruto per maand, te verhogen met 8% vakantiegeld. Daarnaast wordt rekening gehouden met de ernstige verwijtbaarheid van werkgever en de termijn waarbinnen werknemer een andere vergelijkbare baan kan vinden. De kantonrechter schat deze termijn op 24 maanden, grotendeels door de nadelige effecten die het coronavirus op de economie zal hebben. Hoewel ook de transitievergoeding en het recht op een WW-uitkering worden meegenomen, stelt de rechter de billijke vergoeding vast op € 55.000 bruto.

Oktober 2020

anca@vandijkadvocaten.nl

Meer informatie? Neem contact met ons op!