6sep, 20
VANDIJK advocaten - General Data Protection Regulation 1

In deze uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 mei 2020 is geoordeeld dat de gemeente Utrecht met terugwerkende kracht een verhuiskostenvergoeding moet toekennen aan een van haar inwoners. De inwoner was wegens lichamelijke beperkingen genoodzaakt om te verhuizen, maar meldde zich pas na deze verhuizing bij de gemeente voor een verhuiskostenvergoeding.

Feiten en omstandigheden

De inwoner, geboren in 1994, woonde in 2016 bij zijn ouders in een woning met een trap. In verband met zijn medische beperkingen heeft hij een urgentie verkregen voor een passende woning. De inwoner is per december 2016 verhuisd naar een gelijkvloerse woning. De inwoner heeft zich in oktober 2017 tot het college gewend voor een vergoeding in de verhuis- en inrichtingskosten op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het College heeft vervolgens na onderzoek bij besluit geweigerd een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten te verstrekken.
De inwoner was ten tijde van de aanvraag al verhuisd naar een voor hem geschikte woning. Derhalve oordeelt het College dat geen sprake was van beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie. Voor zover voorafgaand aan de verhuizing sprake was van beperkingen, heeft de inwoner deze beperkingen op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk kunnen wegnemen, zodat het College niet gehouden was de gevraagde voorziening te verstrekken.

De inwoner heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij voert onder meer aan dat het College had moeten beoordelen of op het moment van de verhuizing een medische noodzaak bestond op grond waarvan de inwoner in aanmerking komt voor de verhuiskostenvergoeding.

Oordeel Raad

De Raad oordeelt dat de inwoner terecht heeft betoogd dat het College gelet op zijn hulpvraag had moeten beoordelen of hij op het moment van de verhuizing beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie ondervond. Het college heeft dan ook ten onrechte aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de inwoner ten tijde van de latere melding geen beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie ondervond.
Voor zover het college hiermee het standpunt heeft willen innemen dat het niet mogelijk is om een tegemoetkoming in de verhuis en inrichtingskosten met terugwerkende kracht te verstrekken, is dit standpunt onjuist. Ook heeft het college de aanvraag niet kunnen afwijzen op de grond dat de inwoner de beperkingen op eigen kracht heeft kunnen wegnemen. De inwoner heeft namelijk aangevoerd dat hij de verhuizing en inrichting zelf heeft bekostigd door geld te lenen.

Conclusie

Nu gesteld noch gebleken is dat er andere weigeringsgronden zijn om de aanvraag af te wijzen, betekent dit dat appellante in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten. Deze tegemoetkoming bedraagt € 2.950,-. Daarbij veroordeelt de Raad het College in de kosten van de inwoner tot een bedrag van € 2.100,-.

Augustus 2020

VANDIJK advocaten - Justian Bohr 1

Justian Bohr

j.bohr@vandijkadvocaten.nl

Meer informatie? Neem contact met ons op!