13mei, 16
VANDIJK advocaten - Bijzondere verjaringstermijn bij aanvaring. Aansprakelijkheid en schuld.

In de volgende uitspraak gaat het over een aanvaring tussen twee zeilschepen. Partij A vordert in hoger beroep van partij B schadevergoeding, bestaande uit waardevermindering en vermindering van gederfd vaargenot. Partij B verweert zich en stelt dat de vordering is verjaard.

Volgens het Hof is de schade veroorzaakt door een schip en daarom gelden de aanvaringsbepalingen en de daarbij behorende verjaringstermijn van twee jaren (art. 8:1793 BW) Het hof verwijst naar het Zwartemeer-arrest waarin is uitgemaakt dat de aanvarings- of schadevaringsverjaringstermijn van twee jaren voorgaat op de algemene verjaringstermijn van vijf jaren voor de onrechtmatige daad. Ondanks dat partij A een beroep doet op onrechtmatige daad, geldt hier de bijzondere verjaringstermijn van twee jaren.

Over stuiting van de verjaringstermijn overweegt het Hof, verwijzend naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad, als volgt: Deze verjaringstermijn kan worden gestuit onder meer door een schriftelijke aanmaning of andere schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt (artikel 3:317 BW). Bij het antwoord op de vraag of een schriftelijke mededeling stuitende werking heeft, heeft het volgende te gelden. Een stuitingshandeling dient naar strekking en inhoud een voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar in te houden, dat hij er, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, rekening mee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog nog door de schuldeiser ingestelde vordering behoorlijk kan verweren. Daarbij is het niet zo, dat de desbetreffende, aan de schuldenaar gedane schriftelijke mededeling nauwkeurig de vordering waarvoor de schuldeiser zich het recht op nakoming voorbehoudt, moet omschrijven met aanwijzing van de correcte juridische grondslag daarvoor. Of de schriftelijke mededeling een voldoende duidelijke waarschuwing bevat, dient mede te worden beoordeeld tegen de achtergrond van eerdere correspondentie tussen partijen.

Het Hof komt tot het oordeel dat de vordering van A niet is verjaard. De brief van A bevat een ondubbelzinnige waarschuwing dat partij B nog steeds rekening moet houden met een rechtsvordering van A. Dat niet alle gevorderde schadeposten in de brief worden vermeld, zoals B stelt, staat volgens het Hof stuiting niet in de weg.

Aansprakelijkheid: Het hof stelt voorop dat op de aanvaring het Binnenaanvaringsverdrag van Genève van 15 maart 1960 (Trb. 1961, 88 en 1966, 192) en aanvullend Nederlands recht, met name de artikelen 8:1000 en volgende van het BW, van toepassing zijn. Ter plaatse van de aanvaring geldt het Binnenvaartpolitiereglement (BPR).

Schuld: In het Binnenvaartpolitieregelement bestaat geen wettelijk vermoeden van schuld. Het Hof beoordeelt de vraag of er schuld is van het schip (Partij B) aan de artikelen in boek 6 BW. Het Hof haalt het door de Hoge Raad gewezen arrest Casuele/De Toekomst aan, waarin de Hoge Raad het begrip ‘schuld van een schip’ heeft uitgelegd. De Hoge Raad heeft in dit arrest bepaald dat sprake is van ‘schuld van een schip’ indien de schade het gevolg is van een fout of dat het schip niet voldeed aan de eisen.

Oordeel Hof: Het Hof oordeelt dat Partij B schuld heeft aan de aanvaring en dat zij heeft nagelaten concreet te maken dat de aanvaring het gevolg is van een andere toedracht. Partij B is dan ook aansprakelijk voor de door A geleden gevolgschade. De vorderingen van A zullen gedeeltelijk worden toegewezen.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 3 november 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:8308 Wilt u meer weten over stuiting van de verjaringstermijn in het binnenvaartrecht? Of wilt u juridisch advies over een mogelijke aansprakelijkheidstelling bij een aanvaring? Neem dan contact op met VANDIJK Advocaten, Rotterdam (Prinsenland)

Meer informatie? Neem contact met ons op!