13mei, 16
VANDIJK advocaten - Afzender niet aansprakelijk voor grijperschade bij lossing binnenvaartschip

Het gaat in dit hoger beroep om de vraag of NOF als afzender van een door appellanten met het binnenvaartschip van Leeuwarden naar Duinkerken (Frankrijk) vervoerde lading onttind blik aansprakelijk kan worden gehouden voor grijperschade die bij lossing aan dit binnenvaartschip is toegebracht door de stuwadoor die door de ontvanger ArcelorMittal was ingeschakeld. Het Hof oordeelt dat het hoger beroep van appellanten faalt. Er is geen aansprakelijkheid afzender voor grijperschade bij lossing binnenvaartschip. Beoordeling volgens het CMNI en aanvullend Nederlands recht (art. 8:913 en 8:929 BW).

Stellingen appellanten
Het hoger beroep van appellanten richt zich tegen de afwijzing van haar vordering tegen NOF. Zij hebben vijf grieven ingediend tegen NOF. Haar grieven betreffen in de kern het oordeel van de rechtbank dat NOF juridisch niet bij de lossing betrokken was, waarmee bedoeld zal zijn dat het lossen geen verplichting van NOF was. Appellanten meent dat ofwel het CMNI aldus moet worden uitgelegd dat de afzender te allen tijde verantwoordelijk is voor de lossing, ofwel zodanige verantwoordelijkheid op grond van het aanvullend toepasselijke Nederlandse recht dient te worden aanvaard. Hierover wordt het volgende overwogen.

Oordeel Hof:
Gelet op artikel 6, vierde lid en artikel 10, tweede lid, CMNI zullen in beginsel de afzender en de ontvanger zorgdragen voor respectievelijk de lading en de lossing, waarbij de inontvangstneming en de aflevering ingevolge artikel 3, tweede lid, CMNI, tenzij anders overeengekomen aan boord zullen plaatsvinden.’

Dat laatste – de afzender zorgt voor het laden, de ontvanger voor het lossen – is naar het aanvullend toepasselijke Nederlandse recht niet anders (art. 8:929 lid 2 BW). Art. 8:913 lid 1 BW, dat de afzender jegens de vervoerder schadeplichtig maakt, vormt daarop geen aanvulling. Dat de afzender schadeplichtig is voor o.a. stuwadoorsschade, welke schadeplichtigheid, naar wordt aangenomen, evenzeer geldt voor de ontvanger, ‘voor zover deze laatste althans in zijn plaats als wederpartij van de vervoerder moet beschouwd’, (betekent niet dat hij reeds daarom naast de ontvanger gehouden is om te lossen. Van belang hierbij is verder dat deze schadeplichtigheid niet een risicoaansprakelijkheid is, maar een schuldaansprakelijkheid, die (dus) niet geldt ‘voor zover de[..] schade is veroorzaakt door een omstandigheid die een zorgvuldig afzender [..] niet heeft kunnen vermijden en waarvan zulk een afzender de gevolgen niet heeft kunnen verhinderen’, anders gezegd: ingeval van een geslaagd beroep op overmacht (art. 8:913 lid 1 BW). Daarvan is hier (sowieso) sprake, nu appellanten niet gemotiveerd is opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat NOF – die dus niet (krachtens overeenkomst, wet of verdrag) tot lossen gehouden was – geen enkele bemoeienis heeft gehad met de lossing en het in die fase ook niet in haar macht had om de schade te voorkomen, terwijl evenmin gesteld of gebleken is dat de schade bij lossing gevolg is van een tekortschieten van NOF in de nakoming van een (wel) op haar als afzender rustende verplichting uit hoofde van (bijvoorbeeld) art. 6 CMNI en/of van de tweede afdeling van titel 10 van boek 8 BW. Voor het niettemin toerekenen aan haar van onzorgvuldige gedragingen van de hulppersoon van de ontvanger bestaat onder deze omstandigheden geen goede grond.

Gerechtshof Den Haag 23 februari 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:439

Meer informatie? Neem contact met ons op!