21apr, 16
VANDIJK advocaten - Verzekeringsplicht Rijnvarenden

In geschil of belanghebbende in aanmerking komt voor vrijstelling van premieheffing volksverzekeringen. Het schip is in het geschil staat zijnde jaar voorzien van het Rijnvarendencertificaat als bedoeld in artikel 22 van de herziene Rijnvaartakte

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 24 oktober 2014, nr. 14/01601, ECLI:NL:HR:2014:3016, BNB 2014/264, geoordeeld dat een redelijke verdeling van de stelplicht en bewijslast meebrengt dat als een belanghebbende het standpunt inneemt dat hij op grond van het (tot 1 mei 2010 geldende) Rijnvarendenverdrag niet in Nederland verzekerd is voor de volksverzekeringen omdat de onderneming waartoe het schip behoort in het buitenland is gevestigd, hij daarvoor de relevante feiten moet stellen en, in geval van gemotiveerde betwisting door de inspecteur, aannemelijk moet maken. Naar het oordeel van het Hof moet de bewijslast ook op deze wijze worden verdeeld als een belanghebbende een vergelijkbaar standpunt inneemt onder de op 11 februari 2011 door de autoriteiten van België, Frankrijk, Luxemburg, Nederland en Duitsland gesloten Overeenkomst krachtens artikel 16, eerste lid, van de verordening (EG) 883/2004 betreffende de vaststelling van de op rijnvarenden toepasselijke wetgeving 883/2004 (hierna: de Overeenkomst). De Overeenkomst, welke geldt met terugwerkende kracht vanaf 1 mei 2010, bevat exclusieve aanwijsregels voor werknemers en zelfstandigen die op grond van de Overeenkomst als Rijnvarende kunnen worden aangemerkt.

Deze bewijslastverdeling heeft voorts te gelden als een belanghebbende betoogt niet in Nederland verzekerd te zijn voor de volksverzekeringen op grond van de met ingang van 1 mei 2010 in werking getreden Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van socialezekerheidsstelsels (hierna: de Verordening), Vo. 883/2004 omdat hij geen substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden in Nederland verricht.

Aangezien belanghebbende in Nederland woont en gedurende de in geschil zijnde periode in dienstbetrekking werkzaam is bij een werkgever die is gevestigd in Luxemburg, gelden voor de beslechting van dit geschil niet de toewijzingsregels van artikel 13 van de Verordening, maar de bepalingen van de Overeenkomst. Gelet op de vaststaande feiten is belanghebbende een Rijnvarende in de zin van de Overeenkomst. Zijn verzekeringsplicht voor de volksverzekeringen wordt aldus bepaald door de wetgeving van de Ondertekenende Staat op het grondgebied waarvan zich de zetel bevindt van de onderneming waartoe het schip behoort als bedoeld in artikel 1, aanhef en onderdeel c van de Overeenkomst, aan boord waarvan hij zijn beroepsarbeid verricht.

Anders dan in eerste aanleg heeft belanghebbende ter zitting in hoger beroep het standpunt ingenomen dat het schip in 2011 niet werd geëxploiteerd door Scheepvaartbedrijf [B] gevestigd te [E] in Nederland, maar door [F] gevestigd te [G] in België. Ter onderbouwing van dit standpunt stelt belanghebbende dat [F] de winst behaalt die met het gebruik van het schip in de Rijnvaart wordt beoogd. Tegenover de gemotiveerde betwisting van deze stelling door de Inspecteur heeft belanghebbende geen bewijs voor zijn stelling bijgebracht. Gelet op de onweersproken stelling van de Inspecteur dat voor het schip een Rijnvaartverklaring als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder c van de Overeenkomst is afgegeven waarop Scheepvaartbedrijf [B] als exploitant staat vermeld, moet het er voor gehouden worden dat dit scheepvaartbedrijf de onderneming is waartoe het schip behoort in de zin van de Overeenkomst aan boord waarvan belanghebbende in 2011 zijn beroepsarbeid heeft verricht. Aangezien vaststaat dat de zetel van deze onderneming zich in Nederland bevindt, is belanghebbende op grond van de toewijzingsregels van de Overeenkomst verzekerd en premieplichtig voor de volksverzekeringen in Nederland.

Evenals in eerste aanleg, voert belanghebbende in hoger beroep aan dat belanghebbende als bemanningslid ten opzichte van een bemanningslid dat via Cyprus zou worden verloond ongelijk wordt behandeld. Aangezien Cyprus niet bij de totstandkoming van de Overeenkomst is betrokken en deze daarom ook niet heeft ondertekend, zijn in dat geval immers niet de aanwijsregels uit de Overeenkomst van toepassing, maar bepaalt artikel 13 van de Verordening de toepasselijke wetgeving, zijnde de Cypriotische sociale verzekeringswetgeving. Op deze grond moet, zo begrijpt het Hof belanghebbende, de sociale verzekeringsplicht van belanghebbende worden beoordeeld op basis van het bepaalde in artikel 13 van de Verordening en niet op basis van de Overeenkomst. Belanghebbende verwijst in dit verband naar het EVRM en naar de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 27 januari 2014, ECLI:RBZWB:2014:410. Dit standpunt van belanghebbende faalt. Daartoe overweegt het Hof als volgt.

Als onweersproken staat vast dat in het onderhavige jaar voor alle opvarenden van het schip geldt dat zij in Nederland verzekerings- en premieplichtig zijn voor de volksverzekeringen. In zoverre is er geen sprake van ongelijke behandeling van belanghebbende.

Het door belanghebbende gestelde verschil in behandeling kan zich overigens slechts voordoen in een situatie waarin sprake is van varend personeel dat beroepsarbeid verricht aan boord van een schip dat met winstoogmerk in de Rijnvaart wordt gebruikt, welk schip is voorzien van het certificaat bedoeld in artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte en waarbij toepassing van de Overeenkomst leidt tot toepasselijkheid van sociale zekerheidswetgevingen van verschillende Lidstaten. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, wordt het verschil in behandeling alsdan niet opgeroepen door de Nederlandse wettelijke bepalingen, maar enkel door de omstandigheid dat niet alle EU-lidstaten bij de totstandkoming van de Overeenkomst zijn betrokken. Dat is echter geen omstandigheid die leidt tot strijd met het beginsel van rechtsgelijkheid.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, behoeven de overige stellingen van belanghebbende betreffende de vraag of sprake is van een ongelijke behandeling, geen behandeling.

Het beroep op toepassing van artikel 15 van het Belastingverdrag Nederland-België tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen (Trb. 2001,136) faalt, reeds omdat in het onderhavige geval premieheffing volksverzekeringen aan de orde is en dit verdrag daar niet op ziet.

Uit het hiervoor overwogene volgt dat het hoger beroep ongegrond is.
ECLI:NL:GHDHA:2016:791

 

Meer informatie? Neem contact met ons op!