21apr, 16
VANDIJK advocaten - Rechtbank maakt fout op fout

Na de dagvaarding door Grolsch stuurt A een briefje aan de rechtbank – sector kanton waarin hij uitstel verzoekt voor het formuleren van zijn reactie. Dit briefje belandt bij de rechtbank per ongeluk in het verkeerde dossier. De rechtbank gaat ervan uit dat er van A geen bericht is ontvangen en wijst een verstekvonnis. Nadien komt de rechtbank erachter dat zij zelf een fout heeft gemaakt. De rechtbank stuurt A een brief met het advies verzet tegen het eerdere verstekvonnis in te dienen.

Grolsch stelt zich, met verwijzing naar de hiervoor opgenomen arresten, op het standpunt dat [opposant] na het verstekvonnis van 25 augustus 2015 hoger beroep had moeten instellen. Hij is door zijn schriftelijk verzoek om uitstel voor het indienen van een conclusie van antwoord in rechte verschenen.

Het standpunt van Grolsch is juist. Door het indienen van het uitstelverzoek is Opposant] in rechte verschenen, hetgeen leidt tot een vonnis op tegenspraak. De kantonrechter maakt de hiervoor ook opgenomen overweging van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch: “Niet de uiterlijke verschijningsvorm van het vonnis is in dit verband beslissend, maar hoe het vonnis had behoren te worden uitgesproken (HR 15 oktober 1993, NJ 1994/7). Tegen een dergelijk vonnis staat dan ook geen verzet maar uitsluitend hoger beroep open” tot de hare. Deze redenering volgend betekent dat [opposant] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzet.

Een en ander zou tevens betekenen dat het vonnis van 25 augustus 2015 onherroepelijk wordt. Bij brief van de rechtbank d.d. 2 oktober 2015 is, gelet op het hiervoor overwogene, A , die op dat moment in persoon procedeerde, door de griffier foutief geïnformeerd over het in te stellen rechtsmiddel. A heeft vervolgens door deze informatieverstrekking van de rechtbank het onjuiste rechtsmiddel ingesteld. Daarmee raakt het processueel onjuist handelen van de rechtbank, door een verstekvonnis te wijzen en vervolgens een onjuist advies te verstrekken, rechtstreeks het recht op toegang tot de rechter van A , dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM.

Aansluitend bij de vaste rechtspraak van de Hoge Raad inzake de gevolgen van een apparaatsfout ziet de kantonrechter daarom aanleiding [opposant] de gelegenheid te geven om desgewenst alsnog hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van 25 augustus 2015. Een redelijke wetstoepassing brengt mee dat de ingevolge artikel 339 lid 1 Rv termijn van drie maanden begint te lopen de dag na de uitspraak van dit vonnis.

[zie voor een vergelijkbaar oordeel Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 12 januari 2016, CLI:NL:GHSHE:2016:42 en ECLI:NL:RBOVE:2016:927]

Meer informatie? Neem contact met ons op!